Kunst als uitdaging

Op zondagmiddag 2 november heb ik Henk-Jan Hoekjen uitgenodigd om als filosoof te reageren op de tekeningen die ik heb gemaakt in het kader van de tentoonstelling ‘Ode aan het Rode’.
Hieronder staat de tekst die hij toen heeft uitgesproken.
_________________________________________________________________________________________________

Germen heeft mij gevraagd om vanmiddag vanuit filosofisch perspectief iets te zeggen over de
prachtige expositie ‘Ode aan het rode’. Ik zal dat doen onder de titel ‘kunst als uitdaging’. Want ik
denk dat we op deze expositie allemaal uitgedaagd worden om… ja, om wat precies?
Om via de filosofie eens wat nader te verkennen op welke manier Germen ons hier uitdaagt, wil ik beginnen met een citaat van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, een denker die in de gesprekken tussen mij een Germen wel vaker acte de présence geeft.
In zijn essaybundel Der aesthetische Imperativ zegt Sloterdijk onder meer het volgende over
kunst: ‘Van de kunst is het maar een korte weg naar wat in filosofisch jargon ‘het decentrale bewustzijn’genoemd wordt, de vorm van bewustzijn waarin het ‘zelf’ de strategische centrale positie van het zijn-in-de-wereld opgeeft ten gunste van een staat van een gevoel van verbondenheid zonder centrale focus’

Zoals altijd bij Sloterdijk resoneert er hier van alles mee. Dat begint natuurlijk al bij de titel van de
essay-bundel: bij ‘aesthetische Imperativ’ denken we vanuit filosofisch oogpunt meteen aan Immanuel Kants ‘kategorische Imperativ’, de ethische regel die stelt dat wij de plicht hebben altijd zo te handelen dat wij kunnen wensen dat onze handeling een algemene regel wordt (ter verduidelijking: wij moeten bijvoorbeeld in alle gevallen de waarheid spreken omdat het rationeel is om te wensen dat iedereen altijd de waarheid spreekt; en wij mogen dus nooit liegen omdat het níet rationeel is om te wensen dat iedereen altijd liegt).
De prikkelende gedachte dat er ook met betrekking tot esthetische oordelen een bepaalde
plicht zou zijn, is niet de enige filosofische gedachte die bij lezing van dit korte citaat de kop
opsteekt. De zinsnede ‘zijn-in-de-wereld’ lijkt te verwijzen naar het denken van filosoof Martin
Heidegger en zijn gedachten rondom de ‘zijnsvergetelheid’ van de moderne mens in een tijdperk
van steeds overweldigender technologisering. En met ‘verbondenheid zonder centrale focus’
roept Sloterdijk associaties op met allerlei – niet alleen Westerse – filosofieën die betogen dat de
menselijke individualiteit in feite een zinsbegoocheling is die kan worden vermeden middels een
proces van vervolmaking van de eigen intellectuele vaardigheden (Spinoza), het negeren van de
wil (Schopenhauer), of meditatie (Oosterse filosofische en religieuze tradities).

Metafysische behoefte
Voordat ik verder inga op de vraag wat dit alles nu eigenlijk te maken heeft met de expositie ‘Ode
aan het rode’ lijkt het me verstandig eerst kort stil te staan bij de vraag wat filosofie eigenlijk ís.
Wat bestudeert de filosofie? Op het gevaar af volstrekt incompleet te zijn, hanteer ik vandaag de
volgende definitie: filosofie is de studie van de mens als betekenisverlenend dier (en, om het wat complexer te maken, ook de studie van de studie van de mens als betekenisverlenend dier, en zo verder). Wij mensen hebben de onontkoombare drang om met behulp van onder meer taal en verstand ordening en herordening aan te brengen in de werkelijkheid waarin we onszelf aantreffen, en betekenis toe te kennen aan de (her)ordening die wij hebben aangebracht. De werkelijkheid mag volgens de Franse filosoof Albert Camus in feite volstrekt absurd zijn, maar dankzij onze eigen ordeningsmechanismen en categoriseringen is het bestaan – soms, en voor sommigen – dragelijk. Filosofen houden zich bezig met het analyseren en bekritiseren van alle ordeningsmechanismen die wij hanteren om betekenis te verlenen aan de absurde werkelijkheid.
Voorzover de drang van de mens om ordening aan betekenis aan te brengen betrekking
heeft op de fundamenten van ons kennen, kunnen we – in de woorden van de negentiende
eeuwse Duitse filosoof Arthur Schopenhauer – spreken van een metafysische behoefte. Schopenhauer onderscheidt verschillende manieren waarop we invulling kunnen geven deze behoefte. Hij noemt hierbij religie, wetenschap en . . . kunst. Indachtig een opmerking van Salman Rushdie die ik vanochtend in de krant tegenkwam, zou je kunnen zeggen dat naast religie en wetenschap ook de kunst een poging is een ordenende invulling te geven aan het godvormige gat in ons menselijke bestaan. Net als religie en wetenschap is kunst een manier om betekenis te verlenen aan ons bestaan, een manier om ons door sommigen als bodemloos ervaren bestaan van een betekenisvol fundament te voorzien.

Slappe aftreksels
Arthur Schopenhauer is positef over de kunst als methode om te voldoen aan onze metafysische
behoefte. Daarmee huldigt hij een totaal ander standpunt dan één van zijn belangrijkste
inspiratiebronnen: Plato. Want deze Griekse filosoof is juist uiterst negatief over de kunsten. In
het kort komt Plato’s redenering hierop neer: de werkelijkheid die wij als mens dagelijks ervaren
is slechts een tijdelijke afspiegeling van ware ideeën die zich bevinden in een eeuwig ideeënrijk
(terzijde: we herkennen hier een structuur eeuwigheid-tijdelijkheid die ook een rol speelt in religies als het Christendom; Friedrich Nietzsche noemde het Christendom mede daarom ‘Platonisme voor het volk’).
Kunstenaars maken volgens Plato slechts afbeeldingen van die tijdelijke afspiegelingen, waarmee
het werk van een beeldend kunstenaar in Platoonse zin een dubbele vervalsing moet worden geacht. In het werk van de kunstenaar verdwijnen de ware eeuwige ideeën geheel achter de horizon en wordt de beschouwer van het kunstwerk tevreden gesteld met slappe aftreksels van de eeuwige ideeën die het ware fundament van de werkelijkheid vormen (terzijde: een soortgelijke redenerng ligt in feite ten grondslag aan het beeldverbod dat een rol speelt in verschillende religies: de verbeelding van het goddelijke in een wereldlijke vorm wordt beschouwd als een blasfemische profanisering van het goddellijke).
Plato indachtig zou ik jullie allemaal kunnen oproepen deze expositie onmiddellijk te
verlaten omdat Germen vanuit het zojuist geschetste perspectief in feite een oplichter is, een
betreurenswaardige bedrieger die ons weghoudt bij waar het met betrekking tot het invullen van
het godvormige gat in ons bestaan in feite om gaat…

De romantische orde
Gelukkig voor Germen – en voor ons – zijn er vanuit de filosofie ook andere perspectieven op
de kunst naar voren gebracht dan de Platoonse. Ik refereerde eerder al aan het feit dat
Schopenhauer de kunst ziet als één van de manieren om invulling te geven aan onze menselijke
metafysische behoefte. Anders dan Plato was Schopenhauer niet van mening dat kunstenaars
slappe aftreksels produceren van de eeuwige ideeën. In zijn filosofie zijn kunstenaars – anders
dan de meeste andere mensen – juist in staat om direct toegang te krijgen tot deze ideeën. Deze
gedachte vormt de filosofische rode draad binnen een kunstopvatting die door filosoof Maarten
Doorman ‘de romantische orde’ is genoemd.
In de romantische opvatting van de kunst is de kunstenaar een ziener, die doordat hij of
zij gevoeliger en receptiever is dan de gewone sterveling in staat is diepere waarheden bloot te
leggen. De kunstenaar is deel van de ‘avant garde’ (letterlijk ‘de voorhoede’) die de maatschappij de weg wijst. Bij het blootleggen van de richtinggevende waarheden speelt ‘inspiratie’ en ‘intuïtie’ een grote rol. Binnen de romantische orde speelt de kunstenaar een hoofdrol omdat deze via
inspiratie en intuïtie in staat is direct toegang te krijgen tot het domein van eeuwige waarheden
(een rol die in de filosofie van Plato nog was weggelegd voor . . . filosofen) dat voor alle anderen
niet of nauwelijks toegankelijk is.
Precies de ‘romantische’ termen inspiratie en intuïtie kwamen ook aan de orde in het
gesprek dat ik ter voorbereiding op deze middag had met Germen. Niet dat Germen mij vertelde
een ziener of profeet te zijn die anders dan anderen in staat is diepe waarheden bloot te leggen en
daarmee ambieerde de maatschappij de juiste weg te wijzen. Dat zeker niet. Maar wel wilde hij
ermee aangeven dat het soms net lijkt of de kunst die hij maakt niet helemaal uit zichzelf komt.
Het is soms alsof de ziel van het kunstwerk waarmee Germen bezig is wordt ‘ingeblazen’ (de
letterlijke betekenis van ‘inspiratie’). Er is hier vanmiddag nog een aantal kunstenaars aanwezig,
en zij zullen het wellicht herkennen: soms is het inderdaad net alsof je niet zelf de schepper van
het werk bent, maar dat het kunstwerk onafhankelijk van je ontstaat . . .
Hoe kan dit? Waar komt dit gevoel vandaan? Er zijn allerlei mogelijk manieren om
betekenis te geven aan deze bijzondere ervaring van de scheppende kunstenaar. Is er inderdaad
sprake van een toegang tot een hogere, diepere, andere werkelijkeheid, die bereikt kan worden in
de artistieke handeling van het begaafde individu? Dat is zoals we zagen de verklaring vanuit de
romantische kunstopvatting. Maar er zijn ook andere manieren om de artistieke inspiratie en
intuïtie te verklaren. In mijn gesprek met Germen kwam het perspectief aan de orde dat naar
voren is gebracht door de Duitse filosoof Peter Sloterdijk.
In zijn trilogie ‘Sferen’ werkt Sloterdijk op zeker moment de gedachte uit dat elk mens
een oerbegeleider heeft. Het is deze oerbegeleider die een verklaring zou kunnen zijn van wat er
in kunstwerken onvermoed en ongestuurd plotseling aan de oppervlakte komt. Met de genoemde
oerkompaan, die Sloterdijk het ‘Met’ noemt, bedoelt de Duitse filosoof de voedende en
onontbeerlijke metgezel van elk tot mens uitgroeiend wezen in de ‘sfeer’ van de baarmoeder, de
metgezel die in strikt medisch-objectiverende termen ‘placenta’ wordt genoemd. Sloterdijk, die
dat medische woord vermijdt omdat het allerlei voor zijn betoog onwenselijke associaties oproept
(daarmee, terzijde, ook duidelijk makend dat de taal die wij gebruiken bij het ordenen van de werkelijkheid grote invloed heeft op de betekenis die wij aan de werkelijkheid toekennen – in feite het grondthema in het werk van de Franse filosoof Michel Foucault), wijdt een interessante beschouwing aan de manieren waarop het ‘Met’ zich in onze ervaren werkelijkheid manifesteert.
En daarbij verwijst hij onder meer naar de ‘fantastische beeldkunst’:
‘De meeste kans om evenwaardige formuleringen uit onze tijd [over het ‘Met’] tegen te komen,
lopen we nog als we ons begeven op het terrein van de fantastische beeldkunst, waar
psychologische dieptesymboliek tot visuele figuratie verwerkt is. Een eminent voorbeeld hiervan
uit het recente verleden zijn enkele mysterieuze boomprenten van de surrealistische schilder René
Magritte .[…] Gaat men er vanuit dat het motief van de levensboom een oorspronkelijk Met-
symbool is, dan geeft de raadselprent een directe toegang tot het domein van de archaïsche
bipolariteit’.
De archaïsche bipolariteit – dat wil zeggen: het feit dat elk mens in de eerste ‘sfeer’ waarin de
mens tot wasdom komt een onontkoombare en voedende ‘ander’ als metgezel heeft – kan op
basis van dit perspectief (mede) gezien worden als de artistieke bron die de kunstenaar (dat wil
vandaag zeggen: Germen) in staat stelt om fantastische beelden te genereren, zonder dat deze
daarbij zelf het idee heeft dat deze beelden allemaal volledig aan de eigen ‘strategische centrale
positie van het zijn-in-de-wereld’ ontspruiten. In zekere zin ondergraaft de archaïsche bipolariteit
van waaruit de psychologische dieptesymboliek tot visuele figuratie wordt verwerkt precies de
gedachte van die strategische centrale positie omdat elk mens in zijn ontstaansperiode in de
baarmoeder nu juist níet een centrale positie inneemt, maar essentieel verbonden is aan ‘een
ander’: het Met. En wanneer ik weer even denk aan de filosofie van Martin Heidegger, die ik
helemaal in het begin noemde, zou je vanuit dit specifieke perspectief ook nog kunnen zeggen dat
de archaïsche bipolariteit die Sloterdijk ontwaart een antidotum vormt tegen de zijnsvergetelheid
die Heidegger diagnostiseert bij de moderne mens in het technologische tijdperk…

Mummificering
Veel van wat ik tot nu toe gezegd heb, gaat over de scheppende kunstenaar. Op basis van wat ik
zojuist zei zouden we bijvoorbeeld in de verleiding kunnen komen om alle beelden die hier te
zien zijn te beschouwen als een soort Rorschach-test waarmee we de psychologische diepten van
Germen – en zijn specifieke verhouding tot zijn eigen Met – kunnen peilen. Toch denk ik niet dat
we de beelden persé op die manier behoeven te bekijken. In de eerste plaats omdat iedere
psychologiserende uitspraak over het werk van Germen hoogst speculatief moet blijven. In de
tweede plaats – en misschien veel belangrijker – omdat Germen zijn kunst helemaal niet maakt
om zijn eigen ‘strategische centrale positie’ of zijn eigen individuele ‘archaïsche bipolariteit’ te
etaleren (in zijn gesprek met mij zei hij dat het eigenlijk zijn ideaal is om anoniem te exposeren,
net als bijvoorbeeld Banksy). Bij Germen is de kunstenaar niet belangrijker dan zijn medium. ‘Het
gaat helemaal niet om mij’, zei hij, toen ik hem vroeg naar het waarom van dit werk. Met dit
verfrissende gebrek aan opdringerigheid wijst hij de richting naar een onderwerp dat vanmiddag
nog niet besproken is, maar dat wat mij betreft minstens zo belangrijk is als de vraag naar wat
Germen heeft bewogen toen hij in relatief korte tijd de kunstwerken maakte die we hier om ons
heen zien: wat doet het werk met ons? Wat kan ‘Ode aan het rode’ voor ons bezoekers betekenen?
Om dat duidelijk te maken, neem ik weer een korte omweg langs de filosofie.
In zijn vroege werk ‘Over nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven’ maakt
Friedrich Nietzsche onderscheid tussen antiquarische, monumentale en kritische
geschiedschrijving. Zonder zijn stellingen hier vanmiddag helemaal te willen of kunnen
behandelen is het voor vandaag belangrijk om één concept wat nader toe te licht. Volgens
Nietzsche loopt een maatschappij die niet in staat is tot een kritische beschouwing van het eigen
verleden het gevaar zichzelf te mummificeren. Wie niet meer kritisch is en niet meer bereid is te
zoeken naar nieuwe perspectieven van waaruit de eigen geschiedenis en de eigen identiteit
worden geordend en van betekenis voorzien, loopt in de val van de voortdurende
mummificerende herbevestiging. Zo’n samenleving wordt star, en het leven vloeit weg.
Ik wil hier vanmiddag de stelling opwerpen dat niet alleen geschiedschrijving, maar ook
de kunst een belangrijk middel vormt om een maatschappij levendig en vruchtbaar te houden.
Kunst bevestigt niet zozeer de orde en de betekenis die we al kennen, maar werpt juist nieuwe
vragen op, toont nieuwe perspectieven, zet ons voor het blok, en is daarmee niet alleen een
middel om te voldoen aan onze metafysische behoefte, maar ook een instrument dat ons de
vrijheid biedt om de wereld telkens weer op een nieuwe manier te ervaren (terzijde: is dit misschien een goede definitie van ‘kitsch’: artistieke voortbrengselen de bestaande orde bevestigen en geen nieuwe betekenisverlening meer toestaan?). Het is precies vanwege dit vragende, vrijheidbevorderende, dit uitdagende karakter van kunstwerken dat totalitaire regimes het altijd weer gemunt hebben op de kunsten. Wie gebaat is bij het vestigen van een dwingende en onomstotelijke orde, zit nu eenmaal niet te wachten op mensen die in staat en bereid zijn steeds weer het nieuwe, het nog onontdekte, het verontrustende, het nog niet geordende op te zoeken, te verkennen en te tonen. De bezoekers van een entartete expositie zouden immers eens op het idee kunnen komen dat er nog andere manieren zijn om de werkelijkheid te bekijken dan de van staatswege verordonneerde mummificerende en zelfbevestigende kitscherigheid die doorgaans tot de officiële kunst van totalitaire regimes wordt gebombardeerd…

Plicht
Laat ik niet te ver afdwalen. De uitdagende macht van een kunstwerk – het vermogen van een
kunstwerk om vaststaande overtuigingen en ordeningen op losse schroeven te zetten – speelt niet
alleen op wereldhistorisch en maatschappelijk niveau. Ook voor elk individu kan een kunstwerk
een uitdaging zijn, een voorstel om de werkelijkheid met nieuwe ogen te bekijken, mits het
individu bereid is om het bastion van de eigen geordende individualiteit open te stellen voor de
mogelijkheid weer eens wat nieuwe indrukken op te doen. Wij zijn allen betekenisverlenende
dieren. De uitdagende vraag die ik vanmiddag aan jullie wil stellen is: zijn wij tevreden met de
orde en betekenis die wij aan de werkelijkheid hebben toegekend, en zien wij onze eigen
mummificering als een geriefelijke bestendiging van ons centrale strategische positie? Of zijn we
bereid onze individualiteit in de confrontatie met de kunst van Germen opnieuw op het spel te
zetten en de uitdaging aan te gaan van een nieuwe realiteit, van de mogelijkheid de werkelijkheid
heel even op een andere manier te zien?
Laat ik het nog iets dwingender formuleren: is het niet eigenlijk onze plicht ten opzichte
van onszelf – een aesthetische imperativ – om zo nu en dan te proberen even los te komen van onze centrale strategische positie ten gunste van een staat van een gevoel van verbondenheid zonder centrale focus? Zijn wij het niet aan onszelf verplicht er alles aan te doen om te voorkomen dat wij ten prooi vallen aan een weliswaar behaaglijke en geruststellende maar ook
levensontkennende individuele geestelijke mummificering? Mij dunkt dat het werk van Germen
dat hier vanmiddag te zien is voldoende aanknopingspunten biedt voor ieder van ons om die
vragen nog eens bij zichzelf nog eens na te gaan. Het contrastrijke werk, met soms herkenbare
figuren, soms abstracte vormen, is nooit eenduidig (en wat mij betreft op de één of andere manier
vaak verontrustend – wat ik als compliment bedoel), en daagt ons uit om de wereld kort vanuit
een heel ander perspectief te bekijken. Het werk heeft, om een andere term van Peter Sloterdijk
te gebruiken, wat mij betreft ‘para-meditatieve kwaliteit’: het biedt de beschouwer de
mogelijkheid om het eigen individuele perspectief kort te verruilen voor een breder perspectief
dat níet (of misschien moet ik zeggen: iets minder) gebonden is aan de vasstaande betekenissen
die we als individu nu eenmaal moeten gebruiken om ons staande te houden in de absurde
werkelijkheid. Ik zou zeggen: neem de uitdaging aan!
Graag sluit ik deze inleiding af met een citaat van Peter Sloterdijk, al was het alleen maar
omdat hij hier duidelijk maakt dat mensen die zich zonder voorbehoud overgeven aan de kunst
hoger geacht moeten worden dan welke filosoof dan ook. Want uiteindelijk verkoopt de filosoof
natuurlijk slechts praatjes en biedt de kunst van Germen ons vanmiddag de ware betekenisvolle
uitdaging:
‘We moeten niet vergeten dat de para-meditatieve kwaliteit van de kunst vandaag de dag veelal
wordt onderdrukt omdat de kunstenaar belangrijker is geworden dan zijn of haar medium. De
meerderheid van de kunstenaars ziet de kunst als een excuus voor een gebrek aan discipline, en
zijn spugen daarmee in de kwispedoor van de publieke opinie. […] Maar mensen die zich zonder
voorbehoud overgeven aan de kunst […] kunnen ontdekken dat zij voorbij het weten en het
willen altijd al deel zijn geweest van een bewustzijn dat niet opdringerig en niet objectiverend is.
Iedereen die dít leert is superieur aan welke filosoof dan ook, net zoals een mentaal gezond
persoon superieur is aan een praatjesmaker.’

Henk-Jan Hoekjen


Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *