Stil de storm


Onderstaande tekst heb ik op 9 november 2025 – als schim achter een wit doek – voorgedragen.

STIL DE STORM – # 05 (11.03.25)

blozende bomen dromen van gevangen kronen
in de mazen van de twijgen wegen zij de kazen
van het grazend wel en wee van het oeverloze vee
uiers drijven af als vruchten op het kalme water

deuren buigen steigers steunen huizen kreunen
stromen razen ramen breken wolken spatten
dieren bidden jongens jennen meisjes katten
horken hurken buien hozen rozen blozen

dolken kolken wolken dreigen vorken vallen
bliksem knettert regen spettert water klettert
trommels koken buizen roken wegen knallen
donder stottert vonken flitsen stilte schettert

Zie, ons bootje danst en dobbert op een wilde zee
ook wie domweg steigert doet toch lekker mee

Wellicht zet ik de wereld even stil in mijn tekeningen. Zeker als het gaat om de complexe tekeningen waarin zoveel tegelijk gebeurt dat je nauwelijks kunt ontcijferen wat er gebeurt.
Anonimiteit speelt een grote rol in mijn tekeningen. Het zijn allemaal kleine en grote egootjes die zich onttrekken aan het wit van het papier. Ook zelf ben ik nu een schim, een schim met een stem.

De mensjes die ik teken zijn anoniem, ze hebben geen naam, geen duidelijke huidskleur, het zijn immers silhouetten. Hun bezigheden laten zich het beste uitdrukken in werkwoorden. Het gaat over willekeurige mensen die klimmen, dalen, vallen, kruipen, zitten, hangen, zweven of wat ze ook maar aan het doen zijn. De meesten van hen zijn aan het werk, de huidige wereld lijkt actiever dan ooit. Iedereen lijkt bezig, is aan het werk. Werk regeert de wereld lijkt het wel. De aarde die ik met Van Reybrouck bij voorkeur wereld noem is een drukke wereld die zichzelf in onze tijd nauwelijks rust gunt.

Wat ik doe op papier lijkt op monnikenwerk, ook al ben ik geen monnik, leef ik niet als monnik, ook al teken ik wel als een bevlogen pennenlikker, iemand die als het ware een opdracht uitvoert, een boodschap uitdraagt. Wat die boodschap precies inhoudt kan ik niet omschrijven omdat ik het domweg niet weet. Wel is het opmerkelijk hoeveel mensen ervan overtuigd zijn dat ze een boodschap uitdragen of een bevel uitvoeren. Wellicht wil ik dat alleen maar laten zien.
Net als de monniken van destijds ben ik gesteld op anonimiteit, alsof de boodschap die ik uitdraag groter is dan die van mijzelf maar dit terzijde.

Denk ook aan de grot van Plato. Eén man maakt zich los van de geketenden aan de rotswand. Hij ziet het volle daglicht in plaats van de geprojecteerde beelden op de wand tegenover de geketenden. Die ene man begrijpt dat mensen zich laten betoveren door de zogenaamde werkelijkheid die hen wordt voorgehouden en die ze zichzelf voorhouden. Hij begrijpt dat die werkelijkheid – en alle aspecten ervan – in feite een projectie is. Kijk, zegt de nieuwsgierige man, die eenmaal ontketend, de wereld heel anders leert kennen. De schellen vallen hem tijdens die confrontatie van de ogen. De grot waarin de mensen leven is een vorm van fictie, de wereld daarbuiten, dat is de echte wereld.
De grot van Plato verschijnt in onze tijd in een andere vorm, in die van individuele bubbels, in film & fictie en in fascinerende complottheoriën. AI spant daarbij de visuele kroon.
Wellicht is dat mijn boodschap. Of is het toch een dialoog? Een gesprek om mijn part, tussen u en mij, tussen de luisteraar en de stem van de schim.

Zo heb ik het volgende gedicht genoemd:

DROMMMELFEESTJE

Fluister in het donkere duister
Schemerflonder, vlamgeflonker
Schitterkoor en dansgedruis
Schuddebuik en kermiskruik

Sla de resonante dondertrom!
Licht alom en altijd feest!

Schommel in je eigen dommel
Kruimeldwerg en honinghommel
Duim en drommel, kom komkommer
Dof gerommel wondertrommel

Sla de resonante dondertrom!
Licht alom en altijd feest!

Kluister ijle kleur aan warme klank
Tuimelbeest en dom gestommel
Schaterkater, zwaar gegrommel
Wonderwaal en wiekenrank

Sla de resonante dondertrom!
Licht alom en altijd feest!

Ik sluit af met een dichtregel van Lucebert (uit Poëzie is kinderspel, 1959)

over het krakende ei
zweeft een hemelse bode
op zoek naar zijn antipode
en dat zijt gij

(mogelijk dat men op zulk een kleine schaal
niet denken kan het maakt nijdig
of men is verveeld dus veel te veilig
dan is men verloren voor de poëzie

u rest slechts één troost ligt gij op sterven
gij verveelt u dan ook niet
en plotseling kan dan pop en bal
laat herinnerd u laten weten
dit was ik en dat was het heelal)

Wellicht moet je de ultieme vrijheid verpakken in een simpel popliedje, een witte duif die opstijgt en al vliegend lijkt te ontstijgen aan de zwaartekracht. Laat ik het daar maar op houden.
Ik dank u voor uw aandacht.

TENSLOTTE
Met dank aan Geraldine Kwekkeboom voor het intro en de finale.
En dank aan Simin die deze voorstelling heeft opgenomen.

Video – Stil de Storm

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *